“Ben ik tevreden?” brengt kwaliteit van leven van zorgvragers in beeld

“Ben ik tevreden?* Is een laagdrempelig en praktisch instrument waarmee je de kwaliteit van bestaan van mensen met een (verstandelijke) beperking in kaart kunt brengen én verbeteren. Met als doel: een zo hoog mogelijke kwaliteit van bestaan. Bij kwaliteit van bestaan kun je denken aan aspecten als: zeggenschap hebben over je leven, verbonden zijn met andere mensen, gewaardeerd worden om wie je bent. Kenmerkend voor “Ben ik tevreden?” is dat het zich niet beperkt tot beeldvorming, maar direct aanzet tot actie. Meten is dus niet alleen weten maar ook de start van daadwerkelijke kwaliteitsverbetering. Het meten gebeurt aan de hand van twee basisinstrumenten: het tevredenheidsgesprek en de verwantenenquête.

Met behulp van het tevredenheidsgesprek kun je de kwaliteit van bestaan inzichtelijk maken. Met behulp van een vragenlijst, gebaseerd op de acht domeinen van Schalock (Schalock en Verdugo, 2002), wordt de kwaliteit van bestaan in beeld gebracht. De domeinen zijn: Lichamelijk welbevinden, Psychisch welbevinden, Interpersoonlijke relaties, Deelname aan de samenleving, Persoonlijke ontwikkeling, Materieel welzijn, Zelfbepaling en Belangen. Het is niet de bedoeling dat er vragenlijsten worden ‘afgehandeld’ en ‘ingevuld, maar dat het dialooggesprek centraal staat. Iemand die de cliënt goed kent of een onafhankelijk persoon, hierna te noemen ‘de interviewer’, voert het tevredenheidgesprek. Het instrument werkt met een verhalende werkwijze: de interviewer vraagt naar ervaringen, belevingen en gebeurtenissen uit het dagelijkse leven van de cliënt en maakt deze bespreekbaar. Hiermee onderzoekt hij of zij de tevredenheid en ontevredenheid en gaat op zoek naar het subjectieve oordeel van de cliënt over de kwaliteit van zijn bestaan. Om het gesprek goed aan te laten sluiten bij het communicatieniveau van cliënten zijn richtinggevende vragensets ontwikkeld.

Met behulp van de verwantenenquête beoordeelt de wettelijk vertegenwoordiger de kwaliteit van bestaan van hun zoon, dochter, broer of zus. Ook hierbij is het subjectieve oordeel het uitgangspunt.

Vervolgens vindt een dialoog plaats tussen cliënt, familielid en professional. Hierin komen ieders wensen naar voren. In overleg worden deze vertaald naar cliëntgebonden acties. De actie stelt de cliënt in de gelegenheid te leren en ontwikkelen, ofwel: zijn kwaliteit van leven te vergroten. De acties zijn onderdeel van het individuele ondersteuningsplan.

Het tevredenheidgesprek en de verwantenenquête vinden (minimaal) één keer per jaar plaats. De cliënt bepaalt welke acties hij wil uitvoeren, met of zonder ondersteuning van anderen. De acties worden vastgelegd in het ondersteuningsplan. Ook geeft de cliënt per domein een score voor kwaliteit van bestaan. Niet alleen tijdens het jaarlijkse gesprek voeren cliënten gesprekken over kwaliteit van bestaan en het verbeteren ervan. De cliënt werkt het hele jaar door, met of zonder begeleiding door medewerkers, aan het realiseren van deze wensen.

Het instrument geeft de cliënt meer zicht op wie hij is en wat hij wil. Hij krijgt door meer regie over zichzelf en zijn omgeving en meer inzicht in: wat vind ik? wat heb ik nodig? wat wil ik? wat kan ik zelf? (alles wat je uit handen neemt, is verloren competentie) waarbij kan mijn eigen netwerk mij ondersteunen? waarbij heb ik professionele ondersteuning nodig?

“Ben ik tevreden?” richt zich op het daadwerkelijk realiseren van acties. Acties waarmee de cliënt ervaringen kan opdoen en die bijdragen aan de ontwikkeling van zijn competenties. Omdat de ondersteuning gericht is op kwaliteit van bestaan, zal de cliënt zich bovendien minder bezighouden met problemen (wat kan ik niet?) maar juist meer met mogelijkheden (wat kan ik al?).

Familieleden krijgen expliciet een stem bij het waarderen van de kwaliteit van bestaan van hun zoon, dochter, broer, zus. Zij gaan makkelijker in gesprek met de begeleiding over bepaalde aspecten die gaan over de kwaliteit van bestaan.

Medewerkers worden met “Ben ik tevreden?” uitgedaagd op zoek te gaan naar wat de cliënt wil met zijn leven. In de dialoog met de cliënt is niet het oordeel van de interviewer uitgangspunt voor de ondersteuning, maar de subjectieve beleving van de cliënt. Interviewers reflecteren, tijdens en na het gesprek, op hun dagelijks handelen. De vraag van de cliënt bepaalt welke competentie de professional inzet. Als de medewerker de competentie zelf niet heeft, zorgt hij dat hij zich die eigen maakt of bij een collega haalt (kennis delen).