Duitse senioren in armoede

Altersarmut (ouderdomsarmoede) is in Duitsland een veelbesproken onderwerp. Om er iets aan te doen, sloten CDU/CSU en SPD tijdens hun verkennende coalitiegesprekken een principe-akkoord: het niveau van de pensioenen zal de komende jaren niet lager worden dan de huidige 48 procent van het doorsnee inkomen. Is dat genoeg om de ouderdomsarmoede te bestrijden? Volgens de Duitse welzijnsorganisatie Der Paritäter niet. Het minimum moet minstens 53 procent zijn, schrijft ze in een recente studie naar het probleem. Belangrijkste bevinding uit die studie: een op de zes Duitse ouderen leeft onder de armoedegrens van 958 euro per maand voor een huishouden, zonder eigen vermogen. In 2006 was dat nog een op de tien. En de komende jaren stijgt het risico op een arme oude dag fors, voorspelt Der Paritäter. Ook volgens de Bertelsmannstichting zal de nieuwe coalitie met haar voorstel de groeiende ouderdomsarmoede niet stoppen. De stichting liet het gezaghebbende Deutsches Institut für Wirtschaft deze zomer een prognose maken over de groei van ouderdomsarmoede tot 2036. Die pakte somber uit: ‘Al spoedig kan elke vijfde gepensioneerde bedreigd zijn door armoede’. Het plan van CDU/CSU en SPD is wel een trendbreuk. Al sinds 2003 daalt in Duitsland het niveau van de pensioenen (dat lag toen nog op 53 procent van het doorsnee-inkomen). Men wilde zich voorbereiden op de vergrijzing. Duitsland kijkt met angst en beven naar de toekomst. Vanaf 2022 verlaten de babyboomers massaal de arbeidsmarkt. Bij geen andere groep in Duitsland is de armoede de afgelopen jaren zo hard gestegen als bij de ouderen. Lag in 2005 het aandeel ouderen dat arm was nog 4 procent onder het algehele armoedepercentage, nu ligt het er iets boven. In de oostelijke deelstaten groeide het probleem het hardst – met name onder de oudere mannen. Bij hen is armoede in tien jaar tijd verdubbeld. Een ‘dramatische’ ontwikkeling, aldus Der Paritäter. Tegelijk met het verlagen van het niveau van de ‘wettige’ pensioenen (die Duitsers via hun werk opbouwen) stimuleerde de staat mensen om ook een privaat pensioen op te bouwen, zegt Christof Schiller van de Bertelmannstichting. “Als je 4 procent van je inkomen voor je privé-pensioen opzij legt, legt de staat er nog iets bovenop, via toelagen en belastingvoordelen. Dat is een behoorlijke steun.” Toch werkte het niet. “Helaas bleef de verspreiding gering. Laagverdieners – die er het meeste baat bij zouden hebben – kunnen zich de extra kosten vaak niet veroorloven. De administratiekosten zijn te hoog en door de actuele lage rente is het rendement laag.” Bovendien is niet alleen het dalende pensioen de oorzaak van ouderdomsarmoede. Het pensioenstelsel is niet afgestemd op de sterk veranderende arbeidsmarkt, zegt Schiller. Flexibele en ‘atypische’ dienstverbanden, loopbanen met lacunes en slechte arbeidsvoorwaarden in de lage-lonensector leiden tot een slechte pensioenopbouw. Het is overigens nog niet zo eenvoudig om de omvang van ouderdomsarmoede te bepalen. Niet iedereen definieert het begrip op dezelfde manier, zegt Schiller. Je kunt bijvoorbeeld het aantal mensen dat een Grundsicherung ontvangt als maatstaf nemen. Deze uitkering krijgen ouderen als ze onder het ‘bestaansminimum’ van 800 euro komen. Het aantal ouderen dat die uitkering krijgt, is de laatste jaren gegroeid. 3,2 procent van alle ouderen ontvangt inmiddels Grundsicherung. Volgens Der Paritäter is dat percentage niet representatief: ouderen maken uit onwetendheid of schaamte ‘buitenproportioneel’ vaak geen gebruik van hun recht op een uitkering. Schiller bevestigt dat; het werkelijke aandeel uitkeringsgerechtigden zal rond de 5 procent liggen, denkt hij.