Het verhaal van een man met een niet-aangeboren hersenletsel


Eddy V (54 jaar) heeft in 2008 een ernstig ongeluk gehad. Hij werd met een grote vlieger in de lucht getrokken en viel van tien meter hoogte naar beneden. Naast lichamelijk letsel ontstond daarbij ook hersenletsel. Lichamelijk is Eddy volledig hersteld. Maar het hersenletsel is blijvend en heeft geleid tot een verandering van zijn persoonlijkheid. Vanwege het niet-aangeboren hersenletsel (NAH) is de voormalige monteur, voor wie werkweken van 100 uur geen enkel probleem vormden, volledig afgekeurd. Maar het gaat inmiddels wel weer zo goed dat hij het huishouden op zich heeft genomen. “Ik geef mijn leven weer een zeven”, laat Eddy weten. En ook zijn echtgenote geeft hun leven samen weer een ruim voldoende. Ontdekken dat je persoonlijkheid veranderd is, dat bepaalde karaktereigenschappen dominant en soms zelfs te dominant zijn geworden, dat je zomaar, bijna vanuit het niets, een woedeaanval kunt krijgen en dat je niet kunt stoppen met bepaalde werkzaamheden, dat is moeilijk. Nog moeilijker is het om te accepteren dat je bepaalde dingen ook in de toekomst niet meer zult kunnen doen. Daarbij heb je hulp nodig. En ook als partner moet je leren omgaan met de veranderde situatie. “Eddy is niet meer de man met wie ik ben getrouwd. Maar het gevoel en de liefde voor elkaar zijn niet veranderd. Het is meer dat we meer dan voorheen rekening moeten houden met elkaar.” En dat lukt steeds beter. “Chris zit in een rolstoel en ik heb hersenletsel. Ik ben haar benen en zij is mijn hoofd.” De zeven die Eddy zijn leven nu geeft, is niet uit het niets ontstaan. Dat cijfer was de eerste tijd na het ongeluk een ruime onvoldoende. Eddy had last van woedeaanvallen, werkte onvermoeibaar door als zijn dagplanning niet duidelijk ‘pauze’ vermeldde, had grote moeite met niet geplande activiteiten en raakte gespannen en geïrriteerd op momenten dat zaken niet gingen zoals hij dat wilde of had verwacht. Om in die situatie verandering te brengen, kreeg en krijgt hij individuele begeleiding en bezoekt hij een dag per week een activiteitencentrum waar hij onder meer spreekt met lotgenoten. Met zijn begeleider heeft hij, als dat nodig is, iedere ochtend even contact. Iedere dinsdag komt zij bij hem thuis voor overleg en eenmaal per week is er contact via een beeldtelefoon. Zij bespreken wat er die dag of week is gebeurd, waar Eddy tegenaan loopt, hoe hij dat kan oplossen en vooral hoe hij zich beter kan ontspannen. Want het liefst maakt Eddy een hele strakke planning met zoveel mogelijk werkzaamheden die dan, in zijn ogen, ook die dag af moeten. In het verleden voelde hij zich tekortschieten als dat dreigde te mislukken en schoten de pauzes erbij in. Tegenwoordig lukt het steeds beter om te denken ‘dat komt morgen wel’. Een ander punt van aandacht is uitleggen aan buren, vrienden, kennissen en onbekenden dat er sprake is van niet aangeboren hersenletsel. “Aan de buitenkant zie je niets aan mij en met mijn intelligentie is ook niets mis. Dat maakt het moeilijk voor buitenstaanders om te begrijpen wat er aan de hand is.” Waar Eddy voorheen het gevoel had zich voortdurend te moeten verdedigen, geeft hij nu, zo rustig mogelijk, tekst en uitleg over de situatie. Meer kennis over de aandoening bij de buitenwereld leidt, zo merkt hij, tot meer begrip bij anderen en daardoor tot meer rust voor hemzelf.